Roofmijtdiversiteit

Echt bijzonder zien ze er op het eerste gezicht niet uit. Een klein eivormig lichaam met 8 pootjes en enkele haren op de rug. En zonder loep zie je ze gewoon over het hoofd.

preparaatfoto Amblyseius swirskii

preparaatfoto Amblyseius swirskii

Toch zijn ze de meest belangrijke natuurlijke vijanden voor biologische bestrijding van plagen: roofmijten van de familie Phytoseiidae. Deze groep van predatoren is enorm divers en voor de biologische plaagbestrijding maken we daar handig gebruiken van. Verschillende soorten zijn geselecteerd voor de bestrijding van mijten, trips en wittevlieg. Laatst was ik op een mijtencongres waar door een van de sprekers werd uiteengezet wat we nu weten van deze familie. Wereldwijd zijn er meer dan 2700 soorten beschreven (allemaal te vinden op in de Phytoseiidae Database.) Waarschijnlijk zijn er in werkelijkheid nog duizenden soorten onbeschreven in grote delen van de wereld. En van deze enorme groep wordt maar een fractie gebruikt voor biologische bestrijding, misschien 30-40 soorten! Kan je nagaan wat een enorme potentie er nog in de natuur aanwezig is voor biologische plaagbestrijding.
Soms zijn de verschillen overduidelijk. Een opvallende verschijning is de zwart glimmende mediterrane roofmijt Iphiseius degenerans. Sommige paprikatelers zetten hem nog steeds is en in de zomer zijn de hoge dichtheden makkelijk te zien.

De bruin-zwart gekleurde en glimmende Iphiseius degenerans

De bruin-zwart gekleurde en glimmende Iphiseius degenerans


De biologische bestrijding in de glastuinbouw begon ooit met de inzet van de spintspecialist Phytoseiulus persimilis. En nog steeds is deze roofmijt een van de belangrijkste bestrijders wereldwijd. Door de felrode kleur is ook deze soort makkelijk te herkennen.

Phytoseiulus persimilis valt een spintmijt aan in een spintweb

Phytoseiulus persimilis valt een spintmijt aan in een spintweb


Kleur is echter geen kenmerk waarop soorten worden onderscheiden. Afhankelijk van het voedsel wat ze eten, kan dat enorm variëren. Zo kan ook de normaal gesproken bleekgele Amblyseius swirskii roodkleuren na het eten van een roodkleurige prooi.

Roodgekleurde Amblyseius swirskii na het eten van rode galmugeitjes

Roodgekleurde Amblyseius swirskii na het eten van rode galmugeitjes


Het onderscheid tussen soorten zit hem vaak in subtiele morfologische verschillen. De positie van de haren op de rug en buikzijde of bijvoorbeeld de vorm van het orgaantje waar vrouwtjes het sperma in opvangen na paring (spermatheca). Roofmijttaxonomen hebben de laatste jaren geprobeerd deze morfologische eigenschappen te koppelen aan functies. Zo heeft Israëlische acaroloog dr. Eric Palevsky ontdekt dat de kromming en lengte van het beweegbare deel van de mondklauwen (chelicera) bepaalt of roofmijten in staat zijn van planten te eten of niet. En de (helaas te vroeg overleden) Nederlandse acaroloog prof. Maurice Sabelis heeft al in eerdere in publicaties laten zien dat lange rugharen roofmijten waarschijnlijk helpen om spinthaarden binnen te dringen. De morfologische variatie lijkt dus vaak ook een functies te hebben en het is interessant te ontdekken wat die functie is en hoe we dat kunnen gebruiken in plaagbestrijding.

morfologische details van phytoseiidae

morfologische details van phytoseiidae


Het is natuurlijk ondoenlijk om de potentie van al de 2700 soorten roofmijten te onderzoeken, maar het geeft wel aan dat er een enorme diversiteit is aanpassingen aan verschillende prooien, planten en klimaatcondities. Sommige soorten kunnen goed tegen lage temperaturen en andere juist weer tegen extreem hoge temperaturen. Zo is recent in Californië nog een roofmijt gevonden, Galendromus fumensis, die uitstekend presteert in dadelpalmbomen bij hoge temperaturen. De optimale ontwikkeling voor deze soort is 38 °C en zelfs tot 44 °C kunnen ze zich nog goed staande houden. Extreem dus! Andere soorten zijn weer aangepast aan de grootte en schuilplekken van hun prooi. Zo heeft de roofmijt Neoseiulus baraki (niet te verwarren met barkeri) een vrij klein en plat lichaam, zodat hij zo goed mogelijk bij de schuilplekken van de kokosnootroestmijt kan komen.
In de glastuinbouw is de afgelopen jaren het arsenaal roofmijten ook flink gegroeid. Een mooie uitbreiding waren de generalistische roofmijten die naast trips ook wittevlieg kunnen bestrijden, zoals Amblyseius swirskii. Dit bleek erg goed uit te pakken in komkommer, paprika (vooral tabakswittevlieg in Zuid-Europa), aubergine en gerbera. Een recentere uitbreiding zijn de plantetende roofmijten die zich goed ontwikkelen op stuifmeel, zoals Euseius ovalis en Euseius gallicus. In totaal zijn er zijn nu 11 soorten beschikbaar in Nederland:
1. Amblydromalus limonicus (generalist inclusief wittevlieg en planteneter)
2. Amblyseius andersoni (generalist met een goede werking op spint)
3. Amblyseius barkeri (generalist)
4. Amblyseius cucumeris (generalist)
5. Amblyseius swirskii (generalist inclusief wittevlieg)
6. Euseius ovalis (generalist, planteneter en zeer goede ontwikkeling op stuifmeel)
7. Euseius gallicus (generalist, planteneter en zeer goede ontwikkeling op stuifmeel)
8. Iphiseius degenerans (generalist, planteneter en zeer goede ontwikkeling op stuifmeel)
9. Neoseilus californicus (voorkeur voor spint)
10. Phytoseilus persimilis (spint specialist)
11. Transeius montdorensis (generalist inclusief wittevlieg)

Amblyseius swirskii  die een ei van kaswittevlieg leegzuigt

Amblyseius swirskii die een ei van kaswittevlieg leegzuigt

Vrouwtjes van Euseius ovalis in actie met een larve van kaswittevlieg

Vrouwtjes van Euseius ovalis in actie met een larve van kaswittevlieg


Eigenlijk dus nog maar een fractie van wat de natuur te bieden heeft, maar ik kan me voorstellen dat de gemiddelde teler zich afvraagt of dat nu echt nodig is, al die verschillende soorten. Je zou zowat door de bomen het bos niet meer zien. En wat ook verwarrend is; iedere firma lijkt zo haar voorkeuren te hebben voor bepaalde soorten en verschillende soorten worden voor dezelfde doeleinden aangeprezen. Toch denk ik dat het goed is dat we over deze diversiteit beschikken. We komen er steeds meer achter dat roofmijtsoorten duidelijk verschillend presteren bij plaagbestrijding, afhankelijk van het soort plaag, het gewastype, het microklimaat en de aanwezige alternatieve voedselbronnen. Zo bleek bijvoorbeeld dat sommige roofmijten niet goed overweg kunnen met Echinothrips, terwijl andere soorten goede bestrijders waren. En sommige roofmijtsoorten reageren weer extreem goed op stuifmeel al dan niet aangebracht of ingewaaid. Deze variatie biedt kansen om de plaagbestrijding verder te verbeteren, bijvoorbeeld voor de bestrijding van kleine weekhuid- en roestmijten (Tarsonemidae en Eriophyidae). Dus wat mij betreft wordt het arsenaal phytoseiidae alleen nog maar verder uitgebreid. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de bodemroofmijten. Op naar nog meer roofmijtdiversiteit!

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s