Efficiënt multitasken, of toch niet?

Het zijn drukke tijden, ook voor een onderzoeker. Deadlines voor projectvoorstellen, rapportages, commissiebijeenkomsten, acquisitietrajecten een ongelofelijke hoeveelheid dagelijkse informatie die op je afkomt. Het vergt snelheid, efficiëntie en doelgerichtheid om het werk gedaan te krijgen. En in al deze hectiek is het een kunst om tijd te vinden voor observerend onderzoek om tot nieuwe bevindingen te komen. Maar soms, heel soms, krijg je een spontaan moment van verstilling. Afgelopen voorjaar was zo’n moment. Ineens hingen er 3 vliegen op een rijtje aan de ruit van mijn kantoorkamer.

Parende grote dansvliegen Empis tessellata met prooi

Parende grote dansvliegen Empis tessellata met prooi

Het bleek te gaan om twee parende roofvliegen waarbij het vrouwtje al parend ook nog eens rustig een gevangen vliegenprooi aan het leegzuigen was. Dat is nog eens efficiënt dacht ik, paren en eten tegelijk! Zou de (vermeende ) efficiëntie van het multitasken dan ook zijn toegeslagen in het dierenrijk? We leven immers in een tijd waar er nauwelijks tijd is. Alles moet en gaat snel en in het korte leven van de roofvlieg zal dat niet anders zijn. Maar bij wat nader onderzoek blijkt het toch anders in elkaar te steken. Het gaat hier helemaal niet om efficiëntie, maar ik was bij toeval getuige van een prachtig fenomeen waarbij de mannetjesroofvlieg het vrouwtje verleidt tot paring met een bruidsschat (nuptial gift). Aaah, wat een hoffelijkheid! Het bleek hier te gaan om de grote dansvlieg Empis tessellata. De prachtige lange steeksnuit is kenmerkend voor deze groep van roofvliegen. Dit gedrag waarbij mannetjes voor de paring een prooi als cadeautje aan het vrouwtjes aanbieden, komt vaker voor bij dansvliegen en werd in de 18e eeuw al door een Russische entomoloog beschreven. Het wordt ook wel “courtship feeding” genoemd en blijkt bij meer insecten voor te komen, zoals fruitvliegen (aanbieden van gist), sprinkhanen en vlinders. Het is misschien wat bekender van de paringsrituelen bij vogels. Zo bieden ijsvogelmannetjes het vrouwtje een visje aan voordat ze gaan paren. Maar misschien schuilt er achter deze ogenschijnlijke hoffelijkheid toch nog wat efficiëntie. Bij de roofvliegen neemt de kans op een succesvolle paring waarschijnlijk toe als ze meer tijd hebben, en dit is het geval als het vrouwtje een tijdje rustig een prooi leegzuigt. Weg hoffelijkheid. En de zilvervlekdansvlieg maakt het helemaal bonter: na een geslaagde paring pakt het mannetje de aangeboden prooi net zo makkelijk weer van het vrouwtje af, om er vervolgens weer een nieuw vrouwtje mee te verleiden tot paring. Ook totaal geen empathie hè!
Naast dit fascinerende gedrag ziet het er ook prachtig uit, zo’n rijtje met 3 vliegen. De weerspiegeling in het raam maakt het haast tot kunst. Pure esthetiek! Alsof het een oproep is om ons te verwonderen over de kleine schoonheden in de natuur om ons heen. In het onderzoek van biologische bestrijding kan het ook goed zijn om af en toe flink tijd te nemen voor verwondering en observaties. Kijken wat er gebeurt en in de huid kruipen van je bestrijder en plaag. We begrijpen soms nog maar bar weinig van hun gedrag en meer kennis zal ongetwijfeld helpen om tot betere manieren van biologische plaagbestrijding te komen. Dus weg met dat multitasken (is sowieso niet effectief), weg met die volle agenda’s, neem de tijd voor verwondering, aanschouw en kom tot nieuwe inzichten!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Voedselverleiding

Het zijn van die dingen waar ik slecht tegen kan, buffetten met een overweldigende keus van overheerlijk eten. De drang om van alles wat te willen proeven is zo groot, dat ik standaard te veel eet. Niet goed natuurlijk, maar wel lekker…. Wellicht komt deze vorm van voedselverleiding je bekend voor en is het een algemeen principe dat variatie doet eten. In mijn werk aan biologische plaagbestrijding is voedselvariatie ook een belangrijk thema. Verschillende studies laten zien dat een gevarieerd menu voor generalistische natuurlijke vijanden allerlei voordelen heeft. Ze ontwikkelen zich vaak sneller en er is minder sterfte en meer eileg op gemixte diëten dan wanneer ze maar één plaag op het menu hebben staan. We vonden bijvoorbeeld van roofmijten zich sneller ontwikkelden op een mix van trips en wittevlieg dan op de plagen afzonderlijk. De populatiegroei was daardoor veel sneller, wat tot een betere plaagbestrijding leidde. Wil je de details weten, check dan de publicatie waar we dit aantonen. Waarschijnlijk is de voedingswaarde van veel gemixte diëten beter dan van een dieet van maar één soort plaag.
Roos van Maanen van de Universiteit van Amsterdam vond nog een extra voordeel (zie haar publicatie). Trips blijkt zich minder agressief te verdedigen wanneer de roofmijt vlak daarvoor wittevlieg heeft gegeten dan wanneer daarvoor trips op het menu stond. Door hun menu te variëren, zijn ze dus effectiever in de bestrijding van een zichzelf verdedigende trips. Best wel cool toch?
Additioneel voedsel kan natuurlijke vijanden misschien ook verleiden om meer van een bepaalde plaag te eten. Zo vond Jan Hulshof (Biotus, Finland) lang geleden al dat Oriuswantsen meer trips eten wanneer er ook stuifmeel aanwezig is.

Orius laevigatus is een paprikabloem met trips als prooi

Orius laevigatus is een paprikabloem met trips als prooi


En recent heeft de Braziliaanse Renata Vieira Marques gevonden dat sommige roofmijten niet alleen meer eieren leggen op een mix van prooien, maar ook meer gingen eten van bepaalde prooien wanneer gemixt met ander voedsel (zie publicatie). Merkwaardig toch? Doet me denken aan mijn bufferervaring. Blijkbaar kan een mix van voedsel ook voor insecten en mijten een stimulans zijn om meer te eten.

Deze vorm van voedselverleiding zou misschien ook ingezet kunnen worden om de wat ongeschiktere (minder lekkere) plagen te bestrijden. Wolluislarven zijn bijvoorbeeld niet zo geschikt als prooi voor gaasvliegen, vanwege de waslaag waarmee wolluis zich beschermt.

Larve van de gaasvlieg Chrysoperla lucasina vreet een wolluis

Larve van de gaasvlieg Chrysoperla lucasina vreet een wolluis


Meer dan de helft van de gaasvlieglarven sterft zelfs vroegtijdig wanneer ze alleen maar wolluis te eten hebben. De larven zullen waarschijnlijk de neiging hebben om haarden van wolluis te verlaten op zoek naar een meest geschikte prooi. Onze hypothese was dat toevoeging van alternatief voedsel aan deze haarden de overleving van larven verbetert en de residentietijd verhoogt, wat tot een beter bestrijding zou moeten leiden. Dit hebben we getest met meelmoteieren en schimmel-etende mijten als additioneel voedsel. Maar wat blijkt: als de meelmoteieren (Ephestia) werden toegevoegd gaf dit juist een slechtere bestrijding van wolluis! (zie grafiek)

Het effect van additioneel voedsel op de bestrijding van wolluis met gaasvlieglarven.

Het effect van additioneel voedsel op de bestrijding van wolluis met gaasvlieglarven.


De larven switchen naar het lekker hapje van meelmoteieren en laten de onaantrekkelijke wolluis grotendeels links liggen. Bovendien ontwikkelen de larven zich ineens stukken sneller op dit supervoedsel, waardoor ze snel volwassen worden. Normaal gesproken is dit gunstig: een snelle populatiegroei van de bestrijder, maar in het geval van gaasvliegen is dat niet zo. De volwassen beesten zijn vegetarisch en dragen niets bij een de bestrijding. En een tweede generatie eieren wordt maar zelden waargenomen, mogelijk door hun drang om eerst te migreren voordat ze eieren gaan afzetten. De resultaten met de mijten als voedsel waren iets beter (zie grafiek en voor meer info onze publicatie hierover). In dit geval is het dus heel belangrijk om geen voedsel in te zetten dat de natuurlijke vijand afhoudt van de plaag.
Voedsel zou ook gebruikt kunnen worden om natuurlijke vijanden te verleiden tot eileg. Lieveheersbeestjes bijvoorbeeld, zullen pas eieren gaan afzetten op planten met voldoende voedsel voor hun nakomelingen. Bij lage bladluisdichtheden zullen de volwassen kevers al snel de kas uit vliegen, opzoek naar meer voedsel. Het zou interessant zijn te kijken of vrouwtjeskevers verleid kunnen worden om ook in kleine haarden eieren af te zetten, om zo tot een betere bestrijding te komen.

Het veertienstippelige lieveheersbeestje of "schaakbordlieveheersbeestje" in een paprikabloem.

Het veertienstippelige lieveheersbeestje of “schaakbordlieveheersbeestje” in een paprikabloem.


Kortom, genoeg mogelijkheden om voedselverleiding als strategisch middel in de biologische bestrijding. Nu nog een strategisch middel mijn overconsumptie bij buffetten tegen te gaan…

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Roofmijtdiversiteit

Echt bijzonder zien ze er op het eerste gezicht niet uit. Een klein eivormig lichaam met 8 pootjes en enkele haren op de rug. En zonder loep zie je ze gewoon over het hoofd.

preparaatfoto Amblyseius swirskii

preparaatfoto Amblyseius swirskii

Toch zijn ze de meest belangrijke natuurlijke vijanden voor biologische bestrijding van plagen: roofmijten van de familie Phytoseiidae. Deze groep van predatoren is enorm divers en voor de biologische plaagbestrijding maken we daar handig gebruiken van. Verschillende soorten zijn geselecteerd voor de bestrijding van mijten, trips en wittevlieg. Laatst was ik op een mijtencongres waar door een van de sprekers werd uiteengezet wat we nu weten van deze familie. Wereldwijd zijn er meer dan 2700 soorten beschreven (allemaal te vinden op in de Phytoseiidae Database.) Waarschijnlijk zijn er in werkelijkheid nog duizenden soorten onbeschreven in grote delen van de wereld. En van deze enorme groep wordt maar een fractie gebruikt voor biologische bestrijding, misschien 30-40 soorten! Kan je nagaan wat een enorme potentie er nog in de natuur aanwezig is voor biologische plaagbestrijding.
Soms zijn de verschillen overduidelijk. Een opvallende verschijning is de zwart glimmende mediterrane roofmijt Iphiseius degenerans. Sommige paprikatelers zetten hem nog steeds is en in de zomer zijn de hoge dichtheden makkelijk te zien.

De bruin-zwart gekleurde en glimmende Iphiseius degenerans

De bruin-zwart gekleurde en glimmende Iphiseius degenerans


De biologische bestrijding in de glastuinbouw begon ooit met de inzet van de spintspecialist Phytoseiulus persimilis. En nog steeds is deze roofmijt een van de belangrijkste bestrijders wereldwijd. Door de felrode kleur is ook deze soort makkelijk te herkennen.

Phytoseiulus persimilis valt een spintmijt aan in een spintweb

Phytoseiulus persimilis valt een spintmijt aan in een spintweb


Kleur is echter geen kenmerk waarop soorten worden onderscheiden. Afhankelijk van het voedsel wat ze eten, kan dat enorm variëren. Zo kan ook de normaal gesproken bleekgele Amblyseius swirskii roodkleuren na het eten van een roodkleurige prooi.

Roodgekleurde Amblyseius swirskii na het eten van rode galmugeitjes

Roodgekleurde Amblyseius swirskii na het eten van rode galmugeitjes


Het onderscheid tussen soorten zit hem vaak in subtiele morfologische verschillen. De positie van de haren op de rug en buikzijde of bijvoorbeeld de vorm van het orgaantje waar vrouwtjes het sperma in opvangen na paring (spermatheca). Roofmijttaxonomen hebben de laatste jaren geprobeerd deze morfologische eigenschappen te koppelen aan functies. Zo heeft Israëlische acaroloog dr. Eric Palevsky ontdekt dat de kromming en lengte van het beweegbare deel van de mondklauwen (chelicera) bepaalt of roofmijten in staat zijn van planten te eten of niet. En de (helaas te vroeg overleden) Nederlandse acaroloog prof. Maurice Sabelis heeft al in eerdere in publicaties laten zien dat lange rugharen roofmijten waarschijnlijk helpen om spinthaarden binnen te dringen. De morfologische variatie lijkt dus vaak ook een functies te hebben en het is interessant te ontdekken wat die functie is en hoe we dat kunnen gebruiken in plaagbestrijding.

morfologische details van phytoseiidae

morfologische details van phytoseiidae


Het is natuurlijk ondoenlijk om de potentie van al de 2700 soorten roofmijten te onderzoeken, maar het geeft wel aan dat er een enorme diversiteit is aanpassingen aan verschillende prooien, planten en klimaatcondities. Sommige soorten kunnen goed tegen lage temperaturen en andere juist weer tegen extreem hoge temperaturen. Zo is recent in Californië nog een roofmijt gevonden, Galendromus fumensis, die uitstekend presteert in dadelpalmbomen bij hoge temperaturen. De optimale ontwikkeling voor deze soort is 38 °C en zelfs tot 44 °C kunnen ze zich nog goed staande houden. Extreem dus! Andere soorten zijn weer aangepast aan de grootte en schuilplekken van hun prooi. Zo heeft de roofmijt Neoseiulus baraki (niet te verwarren met barkeri) een vrij klein en plat lichaam, zodat hij zo goed mogelijk bij de schuilplekken van de kokosnootroestmijt kan komen.
In de glastuinbouw is de afgelopen jaren het arsenaal roofmijten ook flink gegroeid. Een mooie uitbreiding waren de generalistische roofmijten die naast trips ook wittevlieg kunnen bestrijden, zoals Amblyseius swirskii. Dit bleek erg goed uit te pakken in komkommer, paprika (vooral tabakswittevlieg in Zuid-Europa), aubergine en gerbera. Een recentere uitbreiding zijn de plantetende roofmijten die zich goed ontwikkelen op stuifmeel, zoals Euseius ovalis en Euseius gallicus. In totaal zijn er zijn nu 11 soorten beschikbaar in Nederland:
1. Amblydromalus limonicus (generalist inclusief wittevlieg en planteneter)
2. Amblyseius andersoni (generalist met een goede werking op spint)
3. Amblyseius barkeri (generalist)
4. Amblyseius cucumeris (generalist)
5. Amblyseius swirskii (generalist inclusief wittevlieg)
6. Euseius ovalis (generalist, planteneter en zeer goede ontwikkeling op stuifmeel)
7. Euseius gallicus (generalist, planteneter en zeer goede ontwikkeling op stuifmeel)
8. Iphiseius degenerans (generalist, planteneter en zeer goede ontwikkeling op stuifmeel)
9. Neoseilus californicus (voorkeur voor spint)
10. Phytoseilus persimilis (spint specialist)
11. Transeius montdorensis (generalist inclusief wittevlieg)

Amblyseius swirskii  die een ei van kaswittevlieg leegzuigt

Amblyseius swirskii die een ei van kaswittevlieg leegzuigt

Vrouwtjes van Euseius ovalis in actie met een larve van kaswittevlieg

Vrouwtjes van Euseius ovalis in actie met een larve van kaswittevlieg


Eigenlijk dus nog maar een fractie van wat de natuur te bieden heeft, maar ik kan me voorstellen dat de gemiddelde teler zich afvraagt of dat nu echt nodig is, al die verschillende soorten. Je zou zowat door de bomen het bos niet meer zien. En wat ook verwarrend is; iedere firma lijkt zo haar voorkeuren te hebben voor bepaalde soorten en verschillende soorten worden voor dezelfde doeleinden aangeprezen. Toch denk ik dat het goed is dat we over deze diversiteit beschikken. We komen er steeds meer achter dat roofmijtsoorten duidelijk verschillend presteren bij plaagbestrijding, afhankelijk van het soort plaag, het gewastype, het microklimaat en de aanwezige alternatieve voedselbronnen. Zo bleek bijvoorbeeld dat sommige roofmijten niet goed overweg kunnen met Echinothrips, terwijl andere soorten goede bestrijders waren. En sommige roofmijtsoorten reageren weer extreem goed op stuifmeel al dan niet aangebracht of ingewaaid. Deze variatie biedt kansen om de plaagbestrijding verder te verbeteren, bijvoorbeeld voor de bestrijding van kleine weekhuid- en roestmijten (Tarsonemidae en Eriophyidae). Dus wat mij betreft wordt het arsenaal phytoseiidae alleen nog maar verder uitgebreid. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de bodemroofmijten. Op naar nog meer roofmijtdiversiteit!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vriend of vijand?

Bij biologische plaagbestrijding hebben we vaak de neiging om de wereld simpel in te delen in goed en kwaad, waarbij de “slechte beestjes”, de plagen, worden bestreden door de “goede beestjes”, de natuurlijke vijanden. Dat is ook een helder verhaal wat overtuigend en eenvoudig is uit te leggen. Maar de werkelijkheid is vaak iets complexer. Sommige plagen kunnen namelijk ook nuttig zijn en sommige natuurlijke vijanden kunnen soms schadelijk zijn. Dit is vooral het geval bij omnivore insecten die zich met zowel planten als prooien voeden. De californische trips, Frankliniella occidentalis, is daar een typisch voorbeeld van. Dit is een hardnekkige plaag voor veel gewassen, maar ze kunnen ook een behoorlijke bijdrage leveren aan de bestrijding van spint, doordat ze zich met de eitjes van deze mijt voeden. Een andere interessante groep van omnivoren zijn de wantsen van de familie Miridae.

De omnivore roofwants Dicyphus tamaninni (foto Wim van Egmond)

De omnivore roofwants Dicyphus tamaninni (foto Wim van Egmond)

Binnen dezelfde familie bevinden zich zowel schadelijke wantsen als nuttige roofwanten. De soorten hebben een lange stylet waarmee ze zowel in prooien als in planten in prooien prikken (zie foto). Of ze de status plaag krijgen hangt maar net af van de mate waarin ze zich voeden met planten of met prooien. (Deze verscheidenheid wordt met een mooi woord ook wel het zoöfytofage spectrum genoemd.)
kop en stylet van Dicyphus maroccanus (foto Wim van Egmond)

kop en stylet van Dicyphus maroccanus
(foto Wim van Egmond)


De roofwants Deraeocoris pallens zuigt een bladluis leeg

De roofwants Deraeocoris pallens zuigt een bladluis leeg


Een mooi leeggezogen bladluisje

Een mooi leeggezogen bladluisje

Wat veel mensen niet weten is dat schadelijke miride wantsen, zoals de behaarde wants Lygus rugulipennis, zich ook regelmatig vergrijpen aan ander plagen zoals bladluis en wittevlieg. In die zin zijn de toch een beetje nuttig. Andersom kunnen de roofwantsen die we van deze familie inzetten voor plaagbestrijding soms schade geven aan planten. De bekende Macrolophus pygmaeus kan in cocktailtomaatjes een behoorlijks lastpak zijn doordat ze de jonge bloemen aanprikken en de vruchtzetting verstoren. Das niet grappig natuurlijk. Maar we moeten het kind ook niet met het badwater weggooien, want de voordelen zijn vele malen groter dan de nadelen.

Een soort die helemaal balanceert tussen goed en kwaad is Nesidiocoris tenuis. In Spanje wordt deze soort vol op ingezet en is hij de redder geweest bij de bestrijding van de invasieve mineermot Tuta absoluta. De keerzijde is dat deze soort ook zeer snel schade geeft aan vruchten. Daarnaast verschijnen er typische ringen op de stengels (zie foto). Grappig genoeg wordt hij daarom ook wel “lord of the rings” genoemd. In de meeste landen, waaronder Nederland, wordt deze wants als en serieuze plaag beschouwd, maar in Spanje wegen de voordelen van plaagbestrijding zwaarder dan de bijkomstige schade aan planten.

typische ringen veroorzaakt door Nesidiocoris tenuis

typische ringen veroorzaakt door Nesidiocoris tenuis


kop en stylet van Nesidiocoris tenuis (foto Wim van Egmond)

kop en stylet van Nesidiocoris tenuis (foto Wim van Egmond)


Wat maakt nu dat de wantsen van deze familie schadelijk zijn of niet? Die vraag is zeer relevant bij de inzet van deze soorten. Hoe beter we dat begrijpen, hoe beter we oplossingen kunnen bedenken om gewasschade te voorkomen. Wanneer eten ze zoveel van de plant dat de schade geven? Waarom eten ze überhaupt van de plant?
Eén van de mogelijke redenen voor plantenvoeding is simpelweg de behoefte aan vocht. De wantsen spugen na het aanprikken van een plant of prooi een hele lading verteringsenzymen uit, waarbij veel vocht nodig is. De mate van plantschade heeft waarschijnlijk ook te maken met het type verteringsenzymen dat ze aanmaken en de plek waar ze de plant aanprikken. Het is wellicht mogelijk om soorten te selecteren die minder pectinases (celwandafbrekers) afscheiden.
Of is plantenvoeding misschien nodig om hun stylet schoon te maken van prooiresten? Hoewel, in dit filmpje is een roofwants (M. pygmaeus) te zien die daar niet echt uitkomt…..

Overigens heeft het aanprikken van planten door roofwantsen ook nog een voordeel. Recent is gevonden dat spint zich minder hard ontwikkelt op planten waar van te voren roofwantsen op hebben gezeten. En in een ander onderzoek is gevonden dat ze de planten er toe kunnen aanzetten om geuren af te scheiden die weer aantrekkelijk zijn voor sluipwespen van wittevlieg.
Kortom, omnivoren kunnen de biologische bestrijding op verschillende manieren beïnvloeden. Dit is super boeiend om verder te verkennen en om te kijken hoe we de biologische bestrijding met deze roofwantsen verder kunnen ontwikkelen. Het wordt misschien wat complexer, maar de wereld van insecten en mijten is nu eenmaal niet altijd zo zwartwit in te delen in goed en kwaad.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Acarodomatia

In het jaar 1887 verschijnt er een interessante publicatie van de Zweed Lundström met de titel: “Die Anpassungen der Planzen an Thiere”. In deze publicatie wordt voor het eerst beschreven dat veel plantensoorten een opmerkelijk dichte beharing hebben op plekken waar bladaders bij elkaar komen en dat deze plekken vaak worden bewoond door mijten. Hij noemde deze plekken daarom acarodomatia (mooi woord voor galgje), of te wel, “roofmijthuisjes”. In eerst instantie dacht hij dat deze structuren ook werden opgewekt door mijten, maar dat dat werd al snel weerlegd met de waarneming dat het ook voorkwam op planten zonder mijten.

Domatium van Viburnum tinus met eieren van Amblyseius swirskii

Domatium van Viburnum tinus met eieren van Amblyseius swirskii


roofmijt Amblyseius swirskii in domatium van Viburnum tinus

roofmijt Amblyseius swirskii in domatium van Viburnum tinus


Maar wat is nu precies de functie van deze domatia? Nu meer dan 100 jaar later is dat een vraag die onderzoekers nog steeds boeit. Ik denk zelf dat het reuze interessant is om het voordeel van domatia voor roofmijten te begrijpen, omdat dit wel eens een verklaring kan zijn voor de slechte vestiging van roofmijten in een aantal gewassen. Roofmijten blijken een enorme voorkeur te hebben om hun eieren af te zetten in domatia (zie foto). Uit verschillende waarnemingen blijkt dat roofmijten vooral bij lage luchtvochtigheden meer eieren afzetten op bladeren met domatia dan zonder. Een beter microklimaat zou dus wel eens de belangrijkste functie kunnen zijn. Maar opmerkelijk genoeg zetten roofmijten ook bij hoge luchtvochtigheid bij voorkeur hun eieren af in domatia. Waarom doen ze dat?
Een van de hypotheses is dat deze domatia ook bescherming bieden tegen predatoren. In studies is gevonden dat trips ook roofmijteneieren eet en het blijkt dat de predatie van eieren in domatia lager is dan bij eieren buiten domatia. Het grappige is dat de eieren elkaar ook kunnen beschermen. Na een aanval van trips kan een ei uit elkaar spatten en de restanten van dat ei kunnen een soort korst van smurrie vormen, waardoor de andere eieren minder toegankelijk zijn voor predatoren. In de studie van Faraji en collega’s (Faraji, F., A. Janssen, and M. W. Sabelis. 2002. The benefits of clustering eggs: the role of egg predation and larval cannibalism in a predatory mite. Oecologia 131:20-26.) wordt gesuggereerd dat dit wel eens de reden zou kunnen zijn waarom roofmijten hun eieren vaak in clusters in domatia leggen. Dus naast het microklimaat lijkt bescherming tegen predatoren een andere belangrijke functie van acarodomatia.
Dit alles wetende lijkt het me interessant te kijken hoe we meer roofmijthuisjes kunnen aanbieden in gewassen waar dit niet aanwezig is, om daarmee de vestiging van roofmijten en de biologische bestrijding te verbeteren. Werk voor creatievelingen dus!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

I believe I can fly

Stel je eens voor dat je een bladluis bent en je zit gezellig met je moeder, grootmoeder en overgrootmoeder, overovergrootmoeder (je bent immers een kloon) op een bladknop te zuigen met je snuit in het zoete floëemsap.

een overvolle bloemknop met Myzus persicae

een overvolle bloemknop met Myzus persicae


Maar na een tijdje begint het wel heel gezellig te worden. Je krijgt kinderen aan de lopende band die op hun beurt ook binnen mum van tijd beginnen te baren. Het wordt zelfs zo druk, dat je kan geen poot verzetten of er staat wel iemand. En dan nog iets, dat sap smaakt ook niet meer zo als het hoort te smaken. Weet je wat, je wil gewoon weg, maar hoe? Dan gebeurt er iets merkwaardigs. Er groeit iets in je…het zijn, het zijn vleugels! Maar dat betekent dat, dat je kan vliegen! En na wat vleugelslagoefeningen stijg je op en schiet je plotseling weg opzoek zoek naar een nieuwe schone plant. En terwijl je vliegt zing je het uit: I believe I can fly…I believe I can touch the sky..

Beetje onzin natuurlijk, bladluizen hebben immers geen zelfbewustzijn, maar ze kunnen wel degelijk spontaan vleugels krijgen. Als je er goed over nadenkt best wel bijzonder. Waarom hebben niet alle luizen vleugels? Het blijkt dat ongevleugelde bladluizen zich sneller voortplanten van hun gevleugelde soortgenoten. Ze hoeven geen energie te steken in vleugelaanleg en kunnen zich volledig richten op voortplanting. Dit is dus een voordeel voor de overleving van de soort. De razendsnelle voortplanting van bladluizen is ook gelijk het grote problemen bij de biologische bestrijding van bladluis.

vleugelaanleg bij Myzus persicae

vleugelaanleg bij Myzus persicae


gevleugelde bladluis (Myzus persicae)

gevleugelde bladluis (Myzus persicae)


Onder bepaalde omstandigheden ontstaan er gevleugelde individuen. De belangrijkste reden is overbevolking. Als de dichtheden te hoog worden krijgen ze vleugelaanleg en gaan ze migreren. Voor de bestrijding is deze migratie het vaak nadelig omdat een lokale plek makkelijker is te behandelen dan wanneer de bladluizen over de hele kas verdeeld zitten. Het is dus interessant te weten welke factoren nog meer deze vleugelaanleg induceren. Verschillende studies laten zien dat dit tal van factoren kunnen zijn, zoals de kwaliteit van de waardplant (hoe slechter hoe sneller de vleugelaanleg), temperatuur (meer vleugelaanleg bij extremen), aanwezigheid van pesticiden (zelfs bij zeer lage doseringen) of de aanwezigheid van sluipwespen of roofkevers. Opvallend is dat sommige sluipwespen de bladluizen nogal agressief benaderen. Dit kan vleugelaanleg induceren, maar dat is voor deze sluipwesp, die goed kan vliegen, niet zo’n probleem. Andere natuurlijke vijanden zijn meer sluipmoordenaars zijn, zoals larven van galmuggen. Ze benaderen hun prooi heel sneaky, verdoven de prooi en zuigen hem daarna leeg. Waarschijnlijk voorkomt dit een paniekreactie met alarmferomoon bij bladluizen, waardoor ze ook minder snel vleugelaanleg induceren.

Larve van Aphidoletes aphidimyza (galmug) zuigt een bladluis leeg

Larve van Aphidoletes aphidimyza (galmug) zuigt een bladluis leeg

De larven van galmuggen kunnen niet achter hun prooi aanvliegen en hebben er dus baat bij om verspreiding van hun prooi te voorkomen. Als het ongewenst is om verspreiding van bladluizen op te roepen, is het misschien wel niet zo verstandig om sluipwespen in te zetten, maar kan beter gekozen worden voor de sluipmoordernaars. Maar ook pesticiden, die niet direct schadelijk zijn voor bladluis, kunnen een massale vleugelaanleg induceren. Dit heb ik regelmatig gezien bij middelen die op papier niets tegen bladluis doen. Dus onbewust kunnen deze middelen ongewenste effecten veroorzaken. Iets om in de gaten te houden.

een door Entomophthora planchoniana geïnfecteerde gevleugelde bladluis van Myzus persicae

een door Entomophthora planchoniana geïnfecteerde gevleugelde bladluis van Myzus persicae


In sommige gevallen kan de vleugelaanleg ook gunstig zijn. Het is bekend dat populaties bladluizen die geïnfecteerd worden met schimmelsporen een hoger percentage gevleugelde individuen krijgen. Voor de schimmel kan dit juist weer een voordeel zijn, omdat de gevleugeld bladluizen de schimmels transporteren naar nieuwe plekken in de kas. Cruijff heeft alweer gelijk, ieder nadeel heeft zo ook zijn voordeel.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

To feed or not to feed

Er is de laatste tijd heel wat debat gaande over het bijvoeren van natuurlijke vijanden. Dit is vooral aangewakkerd doordat één van de producenten van natuurlijke vijanden stuifmeel is gaan verkopen als voedsel voor roofmijten. Het advies is om dit stuifmeel regelmatig in het gewas te verblazen om daarmee roofmijten van eten te voorzien, waardoor deze zich beter vestigen. Dit is een interessante nieuwe benadering om biologische bestrijding te verbeteren, maar een vraag die steevast wordt gesteld is: “Vinden ze het voedsel niet lekkerder dan de plaag, waardoor ze de plaag links laten liggen?”
Goeie vraag, want het kan inderdaad zo zijn dat alternatief voedsel de voorkeur heeft boven het eten van een plaag en daarmee loop je het risico dat de plaag ontsnapt aan predatie. Maar zelfs wanneer een natuurlijke vijand geen voorkeur heeft voor het alternatieve voedsel, maar dit “even lekker vind”, zal de bestrijding van de plaag halveren wanneer het in gelijke hoeveelheid als de plaag wordt aangeboden. Dit komt simpelweg doordat het totale voedselaanbod voor de natuurlijke vijand groter wordt. Een soort verdunningseffect dus. Dus is het wel zo slim om bij te voeren? That is the question….

een volwassen Californische trips

een volwassen Californische trips


Nu is het zo dat roofmijten vooral worden ingezet voor de bestrijding van de Californische trips, Frankliniella occidentalis, en dat maakt het helemaal interessant en complex. Want deze plaag is zelf ook dol op stuifmeel en zal zich ook sneller ontwikkelen en meer nakomelingen produceren op planten met stuifmeel dan op planten zonder stuifmeel. En om het nog spannender te maken: de oudere tripslarven verdedigen zich heldhaftig tegen aanvallen van roofmijten, zoals mooi is te zien op dit filmpje, gemaakt door Sarah Jandricic en Matt Bertone van North Carolina State University. Dus wanneer ze moeten kiezen tussen het weerloze en lekkere alternatieve voedsel of een tegenaanvallende tripslarve lijkt de keuze gauw gemaakt. Deze verdediging van trips gaat nog verder doordat ze “bewust” roofmijteieren lek prikken, of te wel, een uitschakeling van de vijand in wording. Je krijgt dus al snel een complex aantal interacties wanneer roofmijten en tripsen worden bijgevoerd met stuifmeel dat ze allebei eten (zie figuur).
pollen-predator-thrips
En toch wordt het stuifmeel met succes toegepast in de glastuinbouw en laten verschillende studies een verbeterde bestrijding van trips zien door de toepassing van stuifmeel. Wat is nu het geheim van de smid? It’s all about numbers…
Het punt is dat je niet of individu-niveau moet denken, maar op populatieniveau. De roofmijten kunnen zich zo snel op stuifmeel voortplanten, dat binnen korte tijd er een enorme populatiegroei optreedt. Dit blijkt ruimschoots de verminderde tripsconsumptie per individuele roofmijt te compenseren. Geweldig toch!
Mooie ontwikkeling dus, maar wel iets om bij te blijven nadenken. Het effect zal namelijk sterk afhangen van de verhouding roofmijt-plaag bij de start. Bij een te hoge tripsdruk zou het toepassen van stuifmeel over een langere periode averechts kunnen werken.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie